Nieuwe bescherming voor particuliere borgen bij insolventie: wat verandert sinds 1 januari 2026?
Wie zich borg stelt voor de lening of andere schuld van een partner, familielid of onderneming, neemt een ernstig financieel risico. Wanneer de hoofdschuldenaar in financiële moeilijkheden komt, kan de schuldeiser zich immers tot de borg wenden. Sinds 1 januari 2026 gelden nieuwe regels voor persoonlijke zekerheden. Ook de bescherming bij een gerechtelijke reorganisatie, faillissement of collectieve schuldenregeling werd aangepast.
De belangrijkste wijziging is dat de wet niet langer vertrekt van de vraag of iemand “kosteloos” een persoonlijke zekerheid heeft gesteld. Voortaan staat de hoedanigheid van consument centraal.
Wat is een persoonlijke zekerheid?
Een persoonlijke zekerheid is de verbintenis van een derde om de betaling van de schuld van de hoofdschuldenaar te waarborgen. De bekendste vorm is de borgtocht. Ook andere constructies kunnen echter als persoonlijke zekerheid gelden, zoals een hoofdelijkheid die uitsluitend tot zekerheid werd aangegaan.
Een consument kan sinds de hervorming in beginsel alleen een borgtocht aangaan. Wanneer een consument toch een autonome garantie, een bindende patronaatsverklaring of een vergelijkbare zekerheid stelt, wordt die verbintenis van rechtswege in een borgtocht omgezet.
Wie wordt als consument beschermd?
Het gaat om een natuurlijke persoon die handelt buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
Die kwalificatie is niet altijd vanzelfsprekend. Wanneer de hoofdschuldenaar een vennootschap of andere rechtspersoon is, geldt de bijzondere consumentenbescherming niet voor een zekerheidssteller die een substantiële invloed op de besluitvorming van die rechtspersoon kan uitoefenen. Een bestuurder of een persoon met een belangrijke participatie zal daarom vaak niet als beschermde consument worden beschouwd.
De concrete functie, participatie en invloed van de zekerheidssteller moeten steeds afzonderlijk worden onderzocht.
De insolventie van de hoofdschuldenaar bevrijdt de borg niet automatisch
Een vaak voorkomend misverstand is dat de borg automatisch bevrijd wordt zodra de hoofdschuldenaar een kwijtschelding, afbetalingsplan of bescherming tegen schuldeisers verkrijgt. Dat is niet het algemene uitgangspunt.
De persoonlijke zekerheidssteller blijft in beginsel verbonden. De wet voorziet wel bijzondere beschermingsmechanismen, maar die verschillen naargelang de gevolgde insolventieprocedure. Vaak moet de consument zelf tijdig een verzoek indienen en aantonen dat zijn verbintenis kennelijk niet in verhouding staat tot zijn financiële mogelijkheden.
Gerechtelijke reorganisatie: bescherming moet worden gevraagd
De opening van een openbare procedure van gerechtelijke reorganisatie schorst de rechten van de schuldeiser tegen de persoonlijke zekerheidssteller in beginsel niet.
Een consument kan de insolventierechtbank wel vragen om mee van de opschorting te genieten wanneer zijn engagement bij de opening van de procedure kennelijk onevenredig is aan zijn terugbetalingsmogelijkheden. Daarbij worden zowel zijn inkomsten als zijn roerende en onroerende goederen beoordeeld.
Het verzoek wordt via RegSol ingediend. Zodra het verzoek is neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst. Wordt de aanvraag aanvaard, dan kan de consument onder de wettelijke voorwaarden ook voordeel halen uit het minnelijk of collectief akkoord van de openbare gerechtelijke reorganisatie.
Bij een private gerechtelijke reorganisatie is de bescherming minder duidelijk en minder volledig. De precieze aard van de procedure is dus van groot belang.
Faillissement: volledige of gedeeltelijke bevrijding is mogelijk
Ook de kwijtschelding van de schulden van een gefailleerde natuurlijke persoon bevrijdt de borg niet automatisch. Een consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld, kan op grond van artikel XX.176 van het Wetboek van economisch recht wel een volledige of gedeeltelijke bevrijding vragen.
Daarvoor moet hij aantonen dat zijn verbintenis op het ogenblik van de opening van het faillissement kennelijk onevenredig was aan zijn terugbetalingsmogelijkheden. De rechtbank houdt rekening met zijn inkomsten, vermogen, schulden en lasten. De financiële toestand van een eventuele echtgenoot wordt volgens de besproken rechtsleer niet rechtstreeks in deze toets betrokken.
Het verzoek moet via RegSol worden ingediend en onder meer worden gestaafd met fiscale documenten, een overzicht van activa en passiva, de overeenkomst waaruit de zekerheid blijkt en bewijs van inkomsten en vaste lasten.
Er is geen uitdrukkelijke wettelijke vervaltermijn, maar het verzoek moet in ieder geval vóór de sluiting van het faillissement worden ingediend. Wachten is daarom bijzonder riskant.
De neerlegging van het verzoek schorst de uitvoeringsmaatregelen tot de rechtbank uitspraak doet. De schuldeiser kan intussen in beginsel nog wel een procedure voeren om een uitvoerbare titel te verkrijgen, omdat dit op zichzelf nog geen daad van tenuitvoerlegging is.
Belangrijke informatieplicht voor de schuldeiser
Een schuldeiser die over een persoonlijke zekerheid beschikt, moet dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen drie maanden na het faillissementsvonnis vermelden, tenzij het faillissement eerder wordt gesloten. Hij moet ook de identificatiegegevens opnemen van de consument die de zekerheid heeft gesteld.
Doet de schuldeiser dit niet, dan kan de consument van zijn verbintenis worden bevrijd. Deze zware sanctie maakt het voor zowel schuldeisers als zekerheidsstellers belangrijk om de aangifte van schuldvordering en het faillissementsdossier zorgvuldig te controleren.
Collectieve schuldenregeling
Wanneer de hoofdschuldenaar tot de collectieve schuldenregeling wordt toegelaten, worden de uitvoeringsmaatregelen tegen personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld tijdelijk geschorst. Voor een consument die een bevrijding vraagt, kan die schorsing voortduren tot de beslagrechter over de aanvraag heeft beslist.
De consument moet aantonen dat de verbintenis niet in verhouding staat tot zijn inkomsten en vermogen. Anders dan bij faillissement blijft bovendien uitdrukkelijk van belang dat hij zijn onvermogen niet zelf bedrieglijk heeft georganiseerd.
Het beoordelingsmoment en bepaalde procedurevoorwaarden verschillen van de faillissementsregeling. Een eerdere beoordeling in een andere procedure leidt daarom niet automatisch tot hetzelfde resultaat.
Nog niet alle verschillen zijn weggewerkt
De hervorming brengt meer samenhang, maar geen volledige eenvormigheid. Vooral bij een gerechtelijke ontbinding van een vennootschap als alternatief voor faillissement bestaat geen gelijkwaardige regeling voor de bevrijding van de consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld. Daardoor kan de bescherming afhangen van de procedure die voor de hoofdschuldenaar wordt gekozen.
Ook de gevolgen van een gerechtelijke kwijtschelding of een collectief afbetalingsplan voor de borg blijven op sommige punten voor discussie vatbaar.
Wat moet u doen wanneer u zich borg hebt gesteld?
Wordt u aangesproken voor de schuld van iemand anders, of verneemt u dat de hoofdschuldenaar in een gerechtelijke reorganisatie, faillissement of collectieve schuldenregeling is terechtgekomen, onderneem dan onmiddellijk actie:
- verzamel de borgstelling en alle krediet- of leningsovereenkomsten;
- controleer wanneer de zekerheid werd gesteld;
- onderzoek of u juridisch als consument kunt worden beschouwd;
- breng uw inkomsten, vermogen, schulden en vaste lasten volledig in kaart;
- controleer welke insolventieprocedure precies loopt en wanneer zij werd geopend;
- ga na of een verzoek tot opschorting of bevrijding moet worden ingediend;
- wacht niet tot het faillissement wordt gesloten of de schuldeiser tot uitvoering overgaat.
Een snelle beoordeling is essentieel. De toepasselijke bescherming hangt af van de datum van de borgstelling, uw band met de hoofdschuldenaar, uw financiële toestand en de concrete insolventieprocedure.
Dit bericht bevat algemene juridische informatie en vervangt geen advies over een concreet dossier.
Bron en juridische basis
- Wet van 5 juni 2025 houdende titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van boek 9 “Zekerheden” van het Burgerlijk Wetboek, in werking sinds 1 januari 2026.
- Boek XX van het Wetboek van economisch recht, onder meer de artikelen XX.54, XX.156, XX.175 en XX.176.
- Gerechtelijk Wetboek, onder meer de artikelen 1675/7 en 1675/16bis.
- Florence George, “Sûretés personnelles et insolvabilité”, Revue des entreprises en difficulté 2026/2, 157-167